Mestkevers in het zwembad

“Ik ben op zoek naar Egyptische decoraties,” zei de man gespannen terwijl hij me met een doordringende blik aankeek.
“Wat bedoelt u precies?” vroeg ik, terwijl ik eens goed naar de corpulente, kalende man keek die voor me stond. Een grote hangsnor sierde zijn gezicht en twee kleine, bruine varkensoogjes keken fier de wereld in.
“We hebben een piramide gebouwd en die moet vol met Egyptisch spul.”
“Pardon?” Had ik die man wel goed gehoord? “Wat hebben jullie gebouwd?”
“Een piramide. Nou ja, niet zo’n grote als in Egypte. Maar een kleintje. Moet een pretpark worden met een grote speeltuin, een café-restaurant en een verwarmd subtropisch zwembad.”
Ik keek de man niet-begrijpend aan. “Dat is nogal wat,” zei ik. “En u heeft dat zelf gebouwd?”
“Nou, nee…ik ben maar een klein radertje in het grote geheel. Ik werk voor Wolverinks en Sigmunds. Een nieuw bedrijf, mijnheer. Wij zijn echte innovateurs. Het is een prachtig project en we zijn bijna klaar. Ze hebben mij er op uitgestuurd om uit te zoeken hoe we het hele interieur van de piramide op de juiste manier kunnen decoreren.”

Hij hapte naar adem, terwijl hij de opwindende plannen van Wolverinks en Sigmunds uiteen zette.
“De wanden van het subtropische zwembad zijn bijvoorbeeld helemaal bekleed met Egyptische beelden. Als de kinderen uit de glijbaan komen dan schieten ze uit de opengesperde muil van de god Osiris zo het warme water in.”
Ik krabde me eens achter de oren. “Juist ja, en waarom komt u dan bij mij?” Ik was verbaasd. “Ik handel in tweedehands spulletjes.”
“Juist daarom,” zei de man. “Ik ga eerst bij alle tweedehands zaken langs. Alles wat we willen moet er oud uitzien. Wij zullen uiteindelijk wel naar een of ander bedrijf stappen en daar alles op maat laten maken wat we niet kunnen vinden, maar allereerst zoeken we op alle plaatsen in het land naar prachtige, oude Egyptische decoraties om zo de atmosfeer te bepalen. Alles komt van pas. Papyrusrollen, banken, beelden. U heeft vast wel wat staan.”
Ik keek hem verbaasd aan.
“Nee, ik heb niets…”
“Niet eens een oude gebruikte sarcofaag?” vroeg de man ongelovig. Ik hoorde de teleurstelling in zijn stem.
“Nee, zelfs dat heb ik niet.”
Opeens lichtten de ogen van de man op. “Maar kijk nou toch eens!” Hij liep naar een tafel vol met prullaria en pakte er een klein voorwerp af.
“Een echte Egyptische Scarabee.” Hij zwaaide enthousiast met het kleinood en zong haast van plezier. “Ik wist wel dat u iets zou hebben.”
Ik keek naar het voorwerp in zijn hand. Ik had eigenlijk nooit geweten wat het was. Een mooi steentje was het, dat wel, maar dat het een Egyptische scarabee was, was me ontgaan.
“De Scarabee is een mestkever,” zei de man. “Die kevers zijn gek op de mest van de kameel. Die vinden ze lekker en dan draaien ze daar mooie, ronde ballen van. Die ballen lijken volgens de oude Egyptenaren op de zon. Dus zijn die beesten heilig in het oude Egypte. Dit kunnen we goed gebruiken.”
Ik keek de man verbouwereerd aan.
“U zoekt Egyptisch spul om uw piramide mee vol te stoppen…en dan bent u blij met een mestkever?”
“Niet zomaar een mestkever, mijnheer. Dit is een echte, antieke Scarabee. Wie het kleine niet eert, mijnheer…is het grote niet weert.” Hij zwaaide enthousiast met de Scarabee in het rond.
“Hoeveel vraagt u er voor?”
“Vijf en twintig Euro.”
“Vijftien,” antwoordde de man gedecideerd.
Het werden er twintig.
Hoofdschuddend keek ik het heerschap na. De man had nog gezegd dat de Scarabee zonder twijfel in de muur bij het zwembad zou komen. Misschien zou de mestkever zelfs bij de opengesperde muil van Osiris worden bevestigd.
Toen ik die avond naar huis ging bedacht ik dat mijn kinderen gelukkig te oud zijn om uit de muil van Osiris te schieten onder de goedkeurende blik van een mestkever. Maar ja, ieder zijn meug, zeggen we dan maar.